Artseneed en beroepsgeheim

Maarten Vasbinder, huisarts n.p.: Omdat er steeds weer over Hippocrates en beroepsgeheim wordt gesproken, bij deze de volledige tekst, van de eed, zoals die in Nederland en België wordt gebruikt.

Oorspronkelijk was de eed in het Grieks gesteld, maar omdat niet iedereen Oud Grieks beheerst, hier de vertalingen.

Eerst de Belgische tekst:

België 2011

De artseneed, zoals weergeven op de officiële website van de Orde der artsen van België, werd voor het laatst aangepast in 2011:[5]

Nu ik toetreed tot de medische professie, beloof ik dat ik mij naar mijn beste vermogen voor een kwaliteitsvolle geneeskunde ten dienste van de medemens en de samenleving zal inzetten.

Ik zal het beroep van arts plichtsbewust en nauwgezet uitoefenen.

Ik zal boven alles voor mijn patiënten zorgen, hun gezondheid bevorderen en hun lijden verlichten.

Ik zal mijn patiënten correct informeren.

Ik zal geheimhouden wat ik krachtens mijn beroep van mijn patiënten weet, ook na hun dood.

Ik zal de professoren en allen die mij gevormd hebben, blijvend waarderen voor wat ze mij hebben bijgebracht.

Ik zal mij blijven bijscholen, de grenzen van mijn mogelijkheden niet overschrijden en waar mogelijk bijdragen tot de vooruitgang van de geneeskundige kennis.

Ik zal verantwoordelijk omgaan met de middelen die de maatschappij ter beschikking stelt en ijveren voor een gezondheidszorg die toegankelijk is voor iedereen.

Ik zal mij collegiaal gedragen en respectvol met medewerkers omgaan.

Ik zal ervoor waken dat mijn houding tegenover patiënten niet beïnvloed wordt door levensbeschouwing, politieke overtuiging, sociale stand, ras, etnie, nationaliteit, taal, gender, seksuele voorkeur, leeftijd, ziekte of handicap.

Ik zal het leven en de menselijke waardigheid eerbiedigen.

Zelfs onder druk, zal ik mijn medische kennis niet aanwenden voor praktijken die indruisen tegen de menselijkheid.

Dit verklaar ik plechtig, uit vrije wil en op mijn woord van eer.

Nederlands  Artsenverbond (vertaling uit het Grieks door W.G.M. Witkam)

Ik zweer en onderschrijf, dat ik deze eed, zolang ik mag beschikken over mijn vermogens en verstandelijk inzicht, ten einde toe zal houden.

Ik zal iemand, die mijn leermeester in de geneeskunst is geweest, beschouwen als een familielid en belangeloos terzijde staan. Diens kinderen zullen voor mij zijn als broeders, die ik desgevraagd op mijn beurt, zonder daarvoor vergoeding te vragen, in de geneeskunst zal opleiden. Mijn onderricht zal ik geven aan hen, samen met mijn eigen kinderen en aan de studenten, die onderworpen zijn aan de plicht tot geheimhouding, maar niet aan buitenstaanders.

Ik zal mijn voorschriften geven naar beste weten en kunnen, tot welzijn van de patiënten en ik zal hen behoeden voor alles, wat schadelijk en verkeerd is.
Ik zal niemand, die mij daarom vraagt, helpen aan een dodelijk brouwsel, noch zal ik uit eigen beweging met een advies daartoe komen. Ook zal ik geen enkele vrouw helpen aan een giftige zetpil. Onberispelijk en godvrezend zal zowel mijn privé-leven zijn als de uitoefening van mijn beroep.

Ik zal geen handelingen uitvoeren, die niet tot mijn competentie behoren, maar zo nodig plaats maken voor hen, die wel ter zake kundig zijn.
Indien ik mij begeef op het privé-terrein van de patiënten zal ik dat doen ter genezing, mij verre houdend van alle misbruik van mijn positie in mijn houding tegenover vrouwen en mannen, met name op seksueel gebied.

Al wat ik als hulpverlener zal zien of horen, ook van het privé-leven van de patiënten zal ik voor mij houden, in de overtuiging dat zulke dingen geheim moeten blijven.

De achting van alle mensen voor mijn levenswijze en beroepsuitoefening moge voor altijd mijn deel zijn, indien ik deze eed nakom en niet verbreek. Bij overtreding en meineed echter moge het tegendeel mij overkomen.

KNMG 2003/2010

Ik zweer/beloof dat ik de geneeskunst zo goed als ik kan zal uitoefenen ten dienste van mijn medemens. Ik zal zorgen voor zieken, gezondheid bevorderen en lijden verlichten.

Ik stel het belang van de patiënt voorop en eerbiedig zijn opvattingen. Ik zal aan de patiënt geen schade doen. Ik luister en zal hem goed inlichten. Ik zal geheim houden wat mij is toevertrouwd.

Ik zal de geneeskundige kennis van mijzelf en anderen bevorderen. Ik erken de grenzen van mijn mogelijkheden. Ik zal mij open en toetsbaar opstellen, en ik ken mijn verantwoordelijkheid voor de samenleving. Ik zal de beschikbaarheid en toegankelijkheid van de gezondheidszorg bevorderen. Ik maak geen misbruik van mijn medische kennis, ook niet onder druk.

Ik zal zo het beroep van arts in ere houden.

Dat beloof ik.
 of
Zo waarlijk helpe mij God almachtig.

 

Nederland 1878

Ik zweer bij Apollo de genezer, bij AsklepiosHygieia en Panakeia en neem alle goden en godinnen tot getuige, dat ik, naar mijn vermogen en oordeel, deze eed en verklaring zal nakomen.

Ik zal naar mijn beste oordeel en vermogen en om bestwil mijner zieken hun een leefregel voorschrijven en nooit iemand kwaad doen.

Nooit zal ik, om iemand te gerieven, een dodelijk middel voorschrijven of een raad geven, die, als hij wordt gevolgd, de dood tot gevolg heeft. Nooit zal ik een vrouw een instrument voorschrijven om een miskraam op te wekken. Maar ik zal de zuiverheid van mijn leven en mijn kunst bewaren. Het snijden van de steen zal ik nalaten, ook als de ziekte duidelijk is; ik zal dit overlaten aan hen die hierin bekwaam zijn. In ieder huis waar ik binnentreed, zal ik slechts komen in het belang van mijn patiënten.

Mijn leermeester zal ik eren en liefhebben als mijn ouders; ik zal in gemeenschap met hem leven en zo nodig mijn bezit met hem delen, de kunst leren zonder vergoeding en zonder dat daartoe een schriftelijke belofte nodig is; aan mijn zonen, aan de zonen van mijn leermeester en aan de leerlingen die verklaard hebben zich aan de regelen van het beroep te zullen houden, aan hen allen zal ik de grondslagen van de kunst leren.

Al hetgeen mij ter kennis komt in de uitoefening van mijn beroep of in het dagelijks verkeer met mensen en dat niet behoort te worden rondverteld, zal ik geheim houden en niemand openbaren. Moge ik, als ik deze eed getrouwelijk houd, vreugde vinden in mijn leven en in de uitoefening van mijn kunst, maar moge het tegenovergestelde het geval zijn indien ik hem schend.

Ik zal mij verre houden van iedere welbewuste slechte daad en van elke verleiding, in het bijzonder van de geneugten der liefde met mannen of vrouwen, of zij vrij zijn of slaaf.

___________________________________________________

Opvallend is, dat de eed door de jaren heen in Nederland steeds meer wordt uitgekleed. Ook is de toetsing ingevoerd, waarmee de overheid definitief een vinger in de pap heeft gekregen. Toetsing behoort binnen de beroepsgroep te gebeuren en niet door een heksenjagende inspectie.

Moeten artsen die de eed voor 2003 hebben afgelegd, zich aan de nieuwe eed houden, of moeten ze die opnieuw afleggen? En wat, als ze dat niet willen.

De eed van 2010 kan wat mij betreft direct de prullenbak in. Dat de KNMG hierin indertijd in is meegegaan is een schande. Schandalig gedrag is in die club is echter zo langzamerhand normaal geworden.

De Belgische eed (belofte) spreekt me nog het meest aan en zou zonder meer overgenomen kunnen worden door het KNMG. Let wel, de inmenging van politici is absoluut ongewenst bij het vaststellen van de eed. In 2003/2010 is het daar fout gegaan. 

Nu, in de Covid tijd, waarin gevaccineerd wordt met een experimentele techniek die nog nooit op deze grote schaal werd toegepast, ter bestrijding van een virus, dat in essentie qua sterfte niet veel afwijkt van influenza, schendt iedere arts die daar aan meewerkt de eed/belofte.

Hier geldt: “Primum non nocere”. (Boven alles, gij zult niet schaden)

Nog even over het beroepsgeheim:

De volgende richtlijn komt van het KNMG:

Beroepsgeheim

Het beroepsgeheim betekent dat je moet zwijgen over alles wat je bij de uitoefening van je beroep als arts over de patiënt te weten bent gekomen. Het beroepsgeheim zorgt voor een vrije toegang tot de zorg en is bedoeld om de patiënt en de samenleving te beschermen. Een patiënt met psychische klachten of een verslaving bijvoorbeeld, moet zich vrij voelen een arts te bezoeken. Het beroepsgeheim is niet alleen een juridische regel, maar ook een ethische norm, die de vertrouwensrelatie tussen arts en patiënt (een waarde) beschermt.

Er zijn drie situaties waarin je als arts het beroepsgeheim mag doorbreken:

  1. Als de patiënt daarvoor toestemming geeft.
  2. Als je wettelijk verplicht bent om bepaalde informatie naar buiten te brengen (bijvoorbeeld als de patiënt een besmettelijke ziekte heeft).
  3. Als je te maken hebt met een conflict van plichten die je als arts hebt. Dit speelt bijvoorbeeld bij sommige situaties van kindermishandeling. In een dergelijk geval mag je het beroepsgeheim alleen doorbreken bij uiterste noodzaak en als er geen andere mogelijkheden zijn om het gevaar af te wenden. Bij zo’n conflict van plichten moet je als arts dus je eigen ethische afweging maken.

Punt 1 is heel gevaarlijk. De patiënt kan onder druk gezet worden, ja te zeggen, als bijvoorbeeld zijn verzekering anders weigert te betalen, of als de werkgever dat eist. Bedrijfsartsen hebben veel met het tweede te maken.

In mijn praktijk heb ik het eerste vaak meegemaakt, het tweede soms.

In alle gevallen heb ik geweigerd daaraan mee te werken. Voor de rechter kregen we altijd gelijk.

Als je echter in de richtlijnen zegt dat je het geheim mag verbreken, als de patiënt dat goed vindt, heb je geen poot meer om op te staan en wordt de belofte gebroken.

In Spanje werd in mijn tijd nauwelijks aan dossiervorming gedaan. De patiënt kreeg alles mee naar huis. Een kopie bleef bij de arts. Zo kun je voorgaande problemen omzeilen, maar dat is goed.

De bescherming van de patiënt is uitermate belangrijk. Als hij het volledige dossier krijgt, is die bescherming weg. Inzage moet natuurlijk altijd mogelijk blijven, maar niet online. Offline is goed genoeg. In print of met een memorystick, zaken die je altijd kunt weggooien.

Daarmee is de voortdurende schending van het beroepsgeheim door bedrijfs- en verzekeringsartsen niet opgelost. Daar zullen ze aan moeten werken en willen ze dat niet, dan hoort op zijn minst de tuchtraad te volgen.

Ook hier geldt: “Primum non nocere”